Transportcapaciteit van het netwerk

  • Print pagina

De technische entry- en exit capaciteiten worden geregeld opnieuw vastgesteld. De wijze waarop GTS de capaciteit bepaalt is vastgelegd in bijlage 2 van de “Transportvoorwaarden Gas LNB”.

Bij de bepaling van de technische capaciteit wordt uitgegaan van verwachtingen ten aanzien van exit en entry capaciteit in de komende jaren, de zogenaamde prognoses. Tevens spelen uitgangspunten, de gekwalificeerde keuzes ten aanzien van de technische hoedanigheden van het transportnet of onderdelen daarvan, de fysische hoedanigheden van het te transporteren aardgas en verwachtingen over het gebruik van entry en exitpunten of combinaties daarvan, een belangrijke rol.

De transportvoorwaarden schrijven voor dat de prognoses (paragraaf 2.2.1 van bijlage 2) en de uitgangspunten (paragraaf 2.2.2 van bijlage 2) die door GTS worden gebruikt bij het bepalen van de transportcapaciteit worden gepubliceerd. Aan deze verplichting wordt voldaan met het rapport “Ontwerp uitgangspunten transportsysteem”.

Verdere gegevens zijn verzameld in “Basisgegevens Aardgassen, 1980, NV Nederlandse Gasunie”. 

Download

Ontwerp uitgangspunten transportsysteem download
Basisgegevens aardgassen download

Het Transportnetwerk

De transportnetten die door GTS worden beheerd bestaan uit leidingen en stations. De transportnetten zijn op basis van drukklasse onderverdeeld in een hoofdtransportleidingnet (HTL) en een regionale transportleidingnet (RTL). Het HTL is op basis van de gassoort die door het net stroomt onderverdeeld in een Groningen gas transportnet en een hoogcalorisch gas transportgasnet. In onderstaande figuur is e.e.a. schematisch weergegeven voor het HTL.

De HTL netten zijn onderling met elkaar verbonden via mengstations, waar verschillende combinaties van H-gas en stikstof worden toegevoegd aan het G-gas net. De HTL netten bevatten naast leidingen ook een groot aantal compressorstations. Via deze stations kan het gas in druk worden verhoogd om verder transport mogelijk te maken.

Gas wordt op het HTL gevoed op entrypunten. Dit kunnen voedingspunten zijn voor gas uit de binnenlandse productie, grenspunten waar gas uit andere netten (of via een LNG-terminal) binnenkomt en punten die zijn verbonden met gasopslaginstallaties.

Gas wordt na transport onttrokken aan het HTL op exitpunten of op meet- en regelstations. Exitpunten zijn de overslagpunten voor binnenlandse afnemers (de gasontvangstations), grenspunten waar gas naar andere netten wordt overgedragen en punten die verbonden zijn met gasopslaginstallaties. Het RTL begint met een meet- en regelstation  waar vanuit het HTL gas wordt ingevoed en op haar beurt worden de netten van de regionale netbeheerders grotendeels beleverd door exits op het RTL. Het RTL wordt vrijwel alleen gebruikt voor het transport van G-gas.