Veilig gasverbruik

Onderstaande brochure bevat nuttige informatie waaronder diverse verwijzingen naar andere informatiebronnen betreffende uw installatie en de koppeling daarvan aan het landelijk gastransportnet. Tevens vindt u belangrijke telefoonnummers terug voor het melden van calamiteiten of werkzaamheden rondom het gasontvangstation.

Indien u vragen heeft naar aanleiding van deze brochure, kunt u contact opnemen met de GTS Industriedesk of met onze afdeling veiligheid. Alle informatie in deze brochure is ook te vinden op de downloadpagina van onze website.

Bekijk alle veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen Veilig gasverbruik

  • De installatie dient aantoonbaar te zijn ontworpen, gefabriceerd en geïnspecteerd volgens de voor deze installatie van toepassing zijnde wet en regelgeving. Gedurende de gebruiksfase dient de installatie aantoonbaar te worden onderhouden en te worden geïnspecteerd volgens de van toepassing zijnde wet en regelgeving.

    Zie “Normen industriële installaties” en “Overzicht Europese normen en normontwikkelingen” voor een volledig overzicht van relevante richtlijnen en normen.

  • Nieuwbouw gasleidingen
    Gasleidingen met een ontwerpdruk >500mbar dienen gebouwd te worden volgens de Richtlijn drukapparatuur. Het ontwerp van een gasleiding dient volgens genoemde richtlijn gecontroleerd te worden door een hiervoor door het ministerie van SZW aangewezen instelling (Notified Body, kortweg NOBO) . Van het geleverde product of samenstelsel van producten dient een EG conformiteitsverklaring te worden opgesteld door de fabrikant of samensteller zoals aangegeven is in de Richtlijn drukapparatuur.

    Bestaande gasleidingen
    De eisen die gelden voor een veilig en milieuvriendelijk gebruik van gasleidingen vinden hun basis in de Wet Milieubeheer. De wet kent vergunningsplichtige en meldingsplichtige instellingen maar ook woongebouwen vallen hieronder. Dit is geregeld in het activiteitenbesluit milieubeheer (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (BARIM)).

    In het activiteitenbesluit milieubeheer is geregeld dat gasleidinginstallaties periodiek (eens per 4 jaar) dienen te worden geïnspecteerd. Afhankelijk van druk en diameter van de leidingen kan dit door een Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties (SCIOS) scope 7B gecertificeerd bedrijf gebeuren of moet het door een NOBO geschieden (www.scios.nl). Het gaat in dit kader te ver om de exacte grenzen tussen beide werkgebieden aan te geven, raadpleeg hiervoor uw installateur of keuringsinstantie.

  • Nieuwe standaard gasverbruikstoestellen
    Voor nieuwe standaard gasverbruik toestellen zoals CV ketels en hete luchtverwarming geldt dat deze apparatuur dient te zijn voorzien van een CE-markering volgens de Gastoestellen richtlijn (Gas Appliance Directive - GAD).
    Voor standaard toestellen, die een CE markering hebben dient de installateur een rapport op te stellen waarin staat dat het toestel is afgesteld volgens de door de fabrikant opgegeven waarden.
    Voor standaard toestellen, of samenstellen (z.g. cascadeschakelingen) zijnde één stookinstallatie met een nominaal vermogen van, >100 KW die een CE markering hebben, dient een hiervoor gecertificeerde instelling een rapport op te stellen waarin staat dat het toestel is afgesteld volgens de door de fabrikant opgegeven waarden. Voor nadere informatie zie: www.scios.nl.

    Nieuwe speciale gasverbruiktoestellen
    Voor deze toestellen dient door de fabrikant een compleet fabricage dossier te zijn opgesteld dat beoordeeld is door een hiervoor gecertificeerde instelling. Tevens behoort  de fabrikant of de samensteller van deze toestellen een EG conformiteitverklaring op te stellen. In de conformiteitsverklaring  geeft de fabrikant aan welke normen zijn toegepast bij het geleverde toestel.

    Onderhoud bestaande toestellen
    Bestaande toestellen dienen volgens de door de fabrikant opgegeven perioden te worden onderhouden en geïnspecteerd. Toestellen of samenstellen (z.g. cascade opstelling) met een vermogen >100kW dienen eens per vier jaar geïnspecteerd te worden door een SCIOS gecertificeerd bedrijf. Meer informatie en een lijst van SCIOS gecertificeerde inspectie en onderhoudsbedrijven kunt u vinden via de website.

  • In 2017 zijn nieuwe emissie-eisen van kracht voor bestaande middelgrote stookinstallaties die in gebruik zijn bij industrieën, bedrijven en utiliteitsbouw.

    Het Activiteitenbesluit milieubeheer geeft de emissiegrenswaarden voor kleine en middelgrote stookinstallaties in paragraaf 3.2.1:

    De emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op de best beschikbare technieken voor de bestrijding van de emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), koolswaterstoffen (CxHy) en totaal stof (TSP).

    De mogelijkheden om dit te bereiken zijn:

    • Optimalisatie van de brander-instelling
    • Aanpassing van de brander constructie of nieuwe brander(s) en mogelijk ook ketel.
    • Het toepassen van rookgascirculatie

    De eisen gelden dan niet alleen meer voor nieuwe stookinstallaties, maar voor alle ketels, motoren en gasturbines. Dus ook die van voor 1 april 2010.

  • Indien op verzoek van aangeslotene de gasinstallatieverbinding tijdelijk buiten bedrijf wordt gesteld ten behoeve van een verandering, aanpassing of reparatie van de achter het overdrachtspunt gelegen gasinstallatie, dient deze verandering of reparatie te voldoen aan de relevante wet en regelgeving. Veelal zal dit een aanpassing van het leidingsysteem betreffen. Zie ook “welke normen kan ik toepassen?”

    Deze aanpassing of reparatie dient aantoonbaar integer te worden uitgevoerd. Aantoonbaarheid verloopt via een door een aangewezen instelling voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (Notified Body) of IVG. (inspectieafdeling van de gebruiker). Zie ook “Welke acties worden genomen bij een uit- of inbedrijfname van het gasontvangststation (GOS)?” 

  • Na het overdrachtspunt is de KB bescherming de verantwoordelijkheid van uw organisatie/bedrijf.

    • De controlemetingen dienen volgens EN 12954 uitgevoerd te worden;
    • De frequentie van de metingen hangt van verschillende factoren af, maar in het algemeen volstaan jaarlijkse metingen;
    • De stroomverzorging vanuit het Gasunienet blijft beperkt beschikbaar;
    • De Gasunie kenmerken van de KB paaltjes achter het overdrachtspunt zijn verwijderd .
  • Een overzicht van de relevante wetgeving op het gebied van integriteit van de aansluiting van de gasinstallatieverbinding is gegeven in “Relevante wetgeving voor industriële installaties”.

    • Het Activiteitenbesluit Milieubeheer schrijft voor dat naast de  inspectie van de toestellen ook de inspectie van de brandstoftoevoerleidingen dient te omvatten. De inspectie van brandstoftoevoerleidingen bestaat uit twee delen: SCIOS scope 7A voor leidingen met een werkdruk < 500mbar
    • SCIOS scope 7B of NOBO keuring voor leidingen met een werkdruk > 500mbar (SCIOS of NOBO inspectie is afhankelijk van druk en diameter van de leiding)

    De voorgeschreven frequentie van deze inspecties is eens per vier jaar. Daarnaast wordt eens in de acht jaar een uitgebreide inspectie uitgevoerd. De toestel inspectie  wordt uitgevoerd volgens de voorgeschreven frequentie in het besluit. [HJ1] Minimaal eens per 4 jaar of korter indien dit is aangegeven op het laatste inspectierapport.

    In de afgegeven Milieuvergunning kunnen afwijkende of aanvullende voorwaarden zijn opgenomen.
    Ten aanzien van de veiligheid van het gasontvangstation wordt een samenvatting gegeven in “Regelgeving o.b.v. ATEX”.


    Aanvullende sites over wetgeving zijn:


     

  • Een overzicht van toepasbare normen is gegeven in “Normen industriële installaties” en “Overzicht Europese normen en normontwikkelingen”, die zijn geharmoniseerd met de PED. Op de website van het Nederlandse Normalisatie Instituut NEN www.nen.nl zijn alle Nederlandse normen te vinden en te bestellen. Op de website van www.euronorm.net is veel informatie te vinden over wetgeving en normalisatie.

  • Op de website van de Raad voor Accreditatie, de nationale accreditatie-instantie ( www.rva.nl ), vindt u de  instellingen die zijn geaccrediteerd voor het betreffende werkveld.

    U zoekt op scopes:
    Landinstelling = Nederland

    Zoeken in de inhoud van scopes = Drukapparatuur

    Vermeld dient te worden dat niet alle hier getoonde instellingen inspecties uitvoeren voor derden.

  • De gasinstallatieverbinding en gasinstallatie van u mag geen gevaar opleveren voor het ongestoord functioneren van het landelijk transportnet. Om aan artikel 2.9 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB te voldoen dient u in uw  eigen gasinstallatieverbinding genoemde maatregelen te treffen. Indien hieraan niet wordt voldaan dan is artikel 2.10 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB van toepassing.
    In het gasontvangstation zijn beveiligingen opgenomen die de achterliggende gasinstallatie van de aangeslotene beschermen tegen o.a. te hoge gasdruk.

  • De ontwerpdruk moet altijd hoger zijn dan de leveringsdruk van Gas Transport Services aan de aangeslotene. Dit is noodzakelijk omdat de geregelde druk wordt beveiligd in het GOS middels een afblaasveiligheid en 1 of 2 afslagveiligheden. Om dit bedrijfszeker in te kunnen stellen is er een marge noodzakelijk.

    In de onderstaande tabel is de relatie tussen de leveringsdruk (MOP; maximum operating pressure) en de maximaal optredende uitlaatdruk (MIP; maximum incidental pressure) van het GOS weergegeven.

    Gasontvangstation - Gasunie Mogelijk hoogste afstelling beveiliging in het GOS
    Uitlaatdruk (Pu) Normale leveringsdruk  MIP (Maximaal Incidentele
    uitlaatzijde Druk)
    bar bar
    0,5 t/m2,0 4,4
    > 2,0 t/m4,0 6,6
    > 4,0 t/m8,0 11,0
    > 8,0 t/m13,6 17,6
    > 13,6 t/m15,0 22
    > 15,0 t/m17,0 22
    > 17,0 t/m22,5 27,5
    > 22,5 t/m38,0 44
    40 (open pijp) 46 (1.15 X MOP)
    80 (open pijp) 92 (1.15 X MOP)

    De minimale ontwerpdruk van het gassysteem van aangeslotene is afhankelijk van de hoogste afstelling van de beveiliging (MIP) in het Gasontvangstation. Evenals van de gekozen ontwerpcode/norm voor het systeem van aangeslotene. Een Notified Body NOBO dient op basis van deze gegevens te bepalen wat de ontwerpdruk van het gassysteem van de aangeslotene dient te worden.

  • Wij spreken met u de hoogte van de normale leveringsdruk af. Uit de normale druk wordt de maximale druk in geval van een incident afgeleid.  Zie de vraag “Hoe hoog moet de ontwerpdruk van de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie na het gasontvangststation zijn?” voor een overzicht van de normale (afgesproken) druk voor levering en de maximale druk bij een incident. U dient ervoor te zorgen dat de ontwerpdruk van uw leidingsysteem geschikt is voor de genoemde Maximaal Incidentele uitlaatzijde Druk (MIP). Indien op dit systeem toestellen worden aangesloten welke niet normaal functioneren als de gasdruk de MIP nadert (zie 2de kolom),dan moet dit toestel hier tegen worden beveiligd. Dit kan door het toepassen van een elektrische of mechanische overdruk beveiliging.

  • De gasdrukregelinstallatie in het gasontvangststation is gewoonlijk voorzien van één leverende gasdrukregelinstallatie met uitlaatgasdruk beveiligingen en een (parallelle) reserve gasdrukregelinstallatie. Bij hogere capaciteiten zijn er drie gasdrukregelinstallaties (twee leverende + één reserve) opgesteld. Bij een defect aan de leverende gasdrukregelinstallatie of bij onderhoudswerkzaamheden neemt de reservestraat de gaslevering op een lagere leveringsdruk over. Als indicatie kan bij een gasontvangststation met twee gasdrukregelinstallaties in genoemde situatie 0,3 bar drukdaling optreden. Bij drie gasdrukregelinstallaties is deze drukdaling in het meest ongunstige geval ongeveer 0,6 bar. Dit kan van invloed zijn op de afstelling van de lage gasdrukbewakingen van uw gasverbruikinstallatie. Aanbevolen wordt dan ook om de afstelling van de lage gasdrukbewaking in de eigen installatie op minimaal 0, 4 tot 0, 7 bar (afhankelijk van aantal straten in het gasontvangstation) onder de instelwaarden van het gasontvangstation in te stellen, rekening houdend met drukverlies over de aansluitleidingen.