Veilig gasverbruik

Onderstaande brochure bevat nuttige informatie waaronder diverse verwijzingen naar andere informatiebronnen betreffende uw installatie en de koppeling daarvan aan het landelijk gastransportnet. Tevens vindt u belangrijke telefoonnummers terug voor het melden van calamiteiten of werkzaamheden rondom het gasontvangstation.

Indien u vragen heeft naar aanleiding van deze brochure, kunt u contact opnemen met de GTS Industriedesk of met onze afdeling veiligheid. Alle informatie in deze brochure is ook te vinden op de downloadpagina van onze website.

Bekijk alle veelgestelde vragen

Veel gestelde vragen Veilig gasverbruik

  • De installatie dient aantoonbaar te zijn ontworpen, gefabriceerd en geïnspecteerd volgens de voor deze installatie van toepassing zijnde wet en regelgeving. Gedurende de gebruiksfase dient de installatie aantoonbaar te worden onderhouden en te worden geïnspecteerd volgens de van toepassing zijnde wet en regelgeving.

  • Nieuwbouw gasleidingen
    Gasleidingen met een ontwerpdruk >500mbar dienen gebouwd te worden volgens de Richtlijn drukapparatuur (zie http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw ).
    Het ontwerp van een gasleiding dient volgens genoemde richtlijn gecontroleerd te worden door een hiervoor door het ministerie van SZW aangewezen instelling (Notified Body, kortweg NOBO) . Ga hiervoor naar http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw en zoek op - Warenwetbesluit drukapparatuur -.
    Van het geleverde product of samenstelsel van producten dient een EG conformiteitsverklaring te worden opgesteld door de fabrikant of samensteller zoals aangegeven is in de Richtlijn drukapparatuur.

    Bestaande gasleidingen
    De gasleidingen dienen volgens een deugdelijk kwaliteitsysteem te worden onderhouden. Als norm kan hiervoor de NEN 2078 bijlage K worden aangehouden. Per 2011 is de NEN 2078 komen te vervallen en opgevolgd door de NEN-EN 15001-1 en NEN-EN 15001-2 (gedetailleerde functionele eisen voor inbedrijfstelling, bedrijfsvoering en onderhoud).

  • Nieuwe standaard gasverbruikstoestellen
    Voor nieuwe standaard gasverbruiktoestellen zoals CV ketels en hete luchtverwarming geldt dat deze apparatuur dient te zijn voorzien van een CE-markering volgens de Gastoestellen richtlijn (GAD – Gas Appliance Directive).
    Voor standaard toestellen, welke een CE markering hebben dient de installateur een rapport op te stellen waarin staat dat het toestel is afgesteld volgens de door de fabrikant opgegeven waarden.
    Voor standaard toestellen, of samenstellen (z.g. cascadeschakelingen) zijnde één stookinstallatie met een nominaal vermogen van, >100 KW welke een CE markering hebben, dient een hiervoor gecertificeerde instelling een rapport op te stellen waarin staat dat het toestel is afgesteld volgens de door de fabrikant opgegeven waarden. Het certificaat van ingebruikname dient conform SCIOS (Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties ) te zijn. Voor nadere informatie zie: www.scios.nl.

    Nieuwe speciale gasverbruiktoestellen
    Voor deze toestellen dient door de fabrikant een compleet fabricage dossier te zijn opgesteld welke beoordeeld is door een hiervoor gecertificeerde instelling. Het certificaat van ingebruikname dient conform SCIOS te zijn.
    Voor nadere informatie zie: www.scios.nl. De fabrikant of de samensteller van deze toestellen stelt een EG conformiteitverklaring op.

    Onderhoud bestaande toestellen
    Bestaande toestellen dienen volgens de door de fabrikant opgegeven perioden te worden onderhouden en geïnspecteerd.
    Het onderhoud kan ook volgens de SCIOS richtlijn worden uitgevoerd. Meer informatie en een lijst van SCIOS gecertificeerde inspectie en onderhoudsbedrijven kunt u vinden via de website. www.scios.nl.

    Inspectie bestaande toestellen en leidingen
    Bestaande toestellen en leidingen dienen volgens de door de fabrikant opgegeven perioden te worden onderhouden en geïnspecteerd.

    Per 01-01-2013 is het Besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties komen te vervallen en opgegaan in het "ACTIVITEITENBESLUIT 2013:
    Wat is er voor stookinstallaties veranderd in het ACTIVITEITENBESLUIT 2013:
    Het begrip stookinstallatie is nu gelijk aan dat in de Richtlijn industriële emissies (Stookinstallatie: elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te benutten).

    Daardoor vallen de volgende stookinstallaties nu ook onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:

    1. Installaties waarin de verbrandingsgassen uitsluitend worden gebruikt voor het drogen of behandelen van producten zoals steenbakkerijen, bakkersovens, cementovens, installaties voor het roosten van ertsen, gras- en groenvoerdrogerijen, asfaltmenginstallaties, pelletiseerinstallaties, glasovens en dergelijke.
    2. Stookinstallaties waar de warmte wordt overgedragen op thermische olie, waarbij de thermische olie fungeert als medium voor warmtetransport.
    3. Procesfornuizen, zijnde stookinstallaties die in hoofdzaak gebruikt wordt voor andere doeleinden dan het verhitten van water of stoom.
    4. Luchtverhitters, bedoeld voor (ruimte)verwarming.
    5. Er is een nieuwe definitie ‘ketelinstallatie’ toegevoegd: stookinstallatie, bestaande uit een ketel waarin brandstof wordt verstookt, welke verbranding in hoofdzaak is bedoeld om kracht op te wekken of om warmte over te dragen aan water, stoom of een combinatie van water of stoom.
    6. Op nieuw geïnstalleerde gasgestookte ketelinstallaties met een vermogen groter of gelijk aan 400 kW moet binnen 4 weken na de in bedrijf stelling een NOx meting plaatsvinden. Deze eis is vanaf 1 januari 2017 van kracht op alle stookinstallaties vanaf 400 kW.
    7. In de nieuwe Activiteitenregeling staat (art. 3.7 m) dat de keuring verricht wordt door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd teneinde uitvoering te kunnen geven aan de van de ‘Certificatieregeling voor inspectie en onderhoud stookinstallaties’ onderdeel uitmakende «Beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties» van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties.

    Anders gezegd: het bedrijf dat de keuring uitvoert een SCIOS certificaat moet hebben voor de te keuren installatie. Gelijkwaardigheid is geschrapt.

    Verder zijn de emissie-eisen voor stooktoestellen met gasvormige, vloeibare en vaste brandstof aangescherpt en uitgebreid.

    Via de raad van Accreditatie kan gelijkwaardigheid worden aangevraagd voor buitenlandse bedrijven die inspecties op het werkgebied van SCIOS willen uitvoeren.

    [1] Bron:  http://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit Hier kunt u verdere infomatie vinden over het activiteitenbesluit 2013.
    De officiele publicatie vindt u onder: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2012-558.html 
    Bijzondere aandacht voor de aandachtspunten 6 en 7, welke essentieel anders zijn dan in het BEMS.
    Zie voor onderhoud en inspectie van brandstoftoevoerleidingen:  Welke relevante wetgeving is er op dit gebied.
     

  • Indien op verzoek van aangeslotene de gasinstallatieverbinding tijdelijk buiten bedrijf wordt gesteld ten behoeve van een verandering, aanpassing of reparatie van de achter het overdrachtspunt gelegen gasinstallatie, dient deze verandering of reparatie te voldoen aan de relevante wet en regelgeving. Deze aanpassing of reparatie dient aantoonbaar integer te worden uitgevoerd. Aantoonbaarheid verloopt via een door een aangewezen instelling voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (Notified Body) of IVG. (inspectieafdeling van de gebruiker).
    Zie ook: “Welke acties worden genomen bij een uit- of inbedrijfname van het gasontvangststation (GOS)” 

  • Na het overdrachtspunt is de KB bescherming de verantwoordelijkheid van u.

    De controlemetingen dienen volgens EN 12954 uitgevoerd te worden. De frequentie van de metingen hangt van verschillende factoren af, maar in het algemeen volstaan jaarlijkse metingen.

    De stroomverzorging vanuit het Gasunie net blijft beperkt beschikbaar.
    De Gasunie kenmerken van de KB paaltjes achter het overdrachtspunt zijn verwijderd.

  • Een overzicht van de relevante wetgeving op gebied van integriteit van de aansluiting van de gasinstallatieverbinding is gegeven in wetgeving industriële installaties. Het Activiteitenbesluit schrijft voor dat naast de keuring van de toestellen, eveneens de keuring van de brandstoftoevoerleidingen dient te omvatten. De scope voor brandstoftoevoerleidingen bestaat uit twee delen. De voorgeschreven frequentie in deze scope is eens per vier jaar. Daarnaast wordt eens in de acht jaar een uitgebreide keuring uitgevoerd.. De toestelscope wordt uitgevoerd volgens de voorgeschreven frequentie in het besluit Zie: www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/stookinstallaties/bem

    In de afgegeven Milieuvergunning kunnen afwijkende of aanvullende voorwaarden zijn opgenomen.
    Ten aanzien van de veiligheid van het gasontvangstation wordt een samenvatting gegeven in Regelgeving o.b.v. ATEX
    Aanvullende sites over wetgeving zijn:

    overheidsloket.overheid.nl
    www.infomil.nl
    www.europa.eu

  • Een overzicht van toepasbare normen is gegeven in Normen industriële installaties en Overzicht Europese normen en normontwikkelingen, welke zijn geharmoniseerd met de PED.

    Op de website van het Nederlandse Normalisatie Instituut NEN www.nen.nl zijn alle Nederlandse normen te vinden en te bestellen.

    Op de website van www.euronorm.net is veel informatie te vinden over wetgeving en normalisatie.

    Het is een fraai overzicht van Europese normen welke toepasbaar zijn voor industriële gasinstallaties.

  • Op de website van de Raad voor Accreditatie* ( www.rva.nl ) vind u de  instellingen welke geaccrediteerd zijn voor het betreffende werkveld.

    U zoekt op scopes:

    • Landinstelling = Nederland
    • Zoeken in de inhoud van scopes = Drukapparatuur

    Vermeld dient te worden dat niet alle hier getoonde instellingen extern, inspecties uitvoeren.

    *De stichting Raad voor Accreditatie is op grond van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie (Wanai) aangewezen als nationale accreditatie-instantie.

  • De gasinstallatieverbinding en gasinstallatie van u mag geen gevaar opleveren voor het ongestoord functioneren van het landelijk transportnet. Om aan artikel 2.9 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB te voldoen dient u in uw  eigen gasinstallatieverbinding genoemde maatregelen te treffen. Indien hieraan niet wordt voldaan dan is artikel 2.10 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB van toepassing.
    In het gasontvangstation zijn beveiligingen opgenomen die de achterliggende gasinstallatie van de aangeslotene beschermen tegen o.a. te hoge gasdruk.

  • De ontwerpdruk moet altijd hoger zijn dan de leveringdruk van Gas Transport Services aan de aangeslotene.
    Dit is noodzakelijk omdat de geregelde druk wordt beveiligd in het GOS middels een afblaasveiligheid en 1 of 2 afslagveiligheden. Om dit bedrijfszeker in te kunnen stellen is er een marge noodzakelijk.

    In de onderstaande tabel is de relatie tussen de leveringsdruk (MOP; maximum operating pressure) en de maximaal optredende uitlaatdruk (MIP; maximum incidental pressure) van het GOS weergegeven.

    Gasontvangstation - Gasunie Mogelijk hoogste afstelling beveiliging in het GOS
    Uitlaatdruk (Pu) Normale leveringsdruk  MIP (Maximaal Incidentele
    uitlaatzijde Druk)
    bar bar
    0,5 t/m2,0 4,4
    > 2,0 t/m4,0 6,6
    > 4,0 t/m8,0 11,0
    > 8,0 t/m13,6 17,6
    > 13,6 t/m15,0 22
    > 15,0 t/m17,0 22
    > 17,0 t/m22,5 27,5
    > 22,5 t/m38,0 44
    40 (open pijp) 46 (1.15 X MOP)
    80 (open pijp) 92 (1.15 X MOP)

    De minimale ontwerpdruk van het gassysteem van aangeslotene is afhankelijk van de hoogste afstelling van de beveiliging (MIP) in het Gasontvangstation. Evenals van de gekozen ontwerpcode/norm voor het systeem van aangeslotene. Een NOBO dient op basis van deze gegevens te bepalen wat de ontwerpdruk van het gassysteem van de aangeslotene dient te worden.

  • Met u wordt een leveringdruk afgesproken zoals genoemd in de eerste kolom (zie tabel onder Hoe hoog moet de ontwerpdruk van de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie na het gasontvangststation zijn).

    In de bovenstaande tabel is aangegeven welke druk er bij een incident maximaal op de leiding kan komen.

    U dient ervoor te zorgen dat de ontwerpdruk van zijn leidingsysteem geschikt is voor de genoemde MIP. Indien op dit systeem toestellen worden aangesloten welke niet normaal functioneren als de gasdruk de MIP nadert (zie 2de kolom),dan moet dit toestel hier tegen worden beveiligd. Dit kan door het toepassen van een elektrische of mechanische overdruk beveiliging.

  • De gasdrukregelinstallatie in het gasontvangststation is gewoonlijk voorzien van één leverende gasdrukregelinstallatie met uitlaatgasdruk beveiligingen en een (parallelle) reserve gasdrukregelinstallatie. Bij hogere capaciteiten zijn er drie gasdrukregelinstallaties (twee leverende + één reserve) opgesteld. Bij een defect aan de leverende gasdrukregelinstallatie of bij onderhoudswerkzaamheden neemt de reservestraat de gaslevering op een lagere leveringsdruk over. Als indicatie kan bij een gasontvangststation met twee gasdrukregelinstallaties in genoemde situatie 0,3 bar drukdaling optreden. Bij drie gasdrukregelinstallaties is deze drukdaling in het meest ongunstige geval ongeveer 0,6 bar. Dit kan van invloed zijn op de afstelling van de lage gasdrukbewakingen van de eigen gasverbruikinstallatie van u. Aanbevolen wordt dan ook om de afstelling van de lage gasdrukbewaking in de eigen installatie op minimaal 0, 4 tot 0, 7 bar (afhankelijk van aantal straten in het gasontvangstation) onder de instelwaarden van het gasontvangstation in te stellen, rekening houdende met drukverlies over de aansluitleidingen.